Ron Konijnendijk verzamelt 'echte' BMW's
IN DE BAN VAN DE BOXER
Na driekwart eeuw boxertechniek mag je
gerust van een uiterst geslaagd concept spreken. Logisch dus dat het motortype
door de jaren heen een schare van gedreven en hondstrouwe fans heeft
opgebouwd. Eén van hen is Ron Konijnendijk. Een BMW-techneut, verwoed
verzamelaar, restaurateur en boxerfan in hart en nieren. BMW en boxer zijn
voor hem synoniemen, zoals z'n uitspraak 'Een BMW ís een boxermotor',
ruimschoots duidelijk maakt.
De Amsterdammer wordt van de indrukwekkende, moderne
Duitse drie- en viercilinders warm noch koud. Er staat BMW op de tank en daar
houdt het wat hem betreft bij op. Helemaal geen aandacht wil de 52-jarige
Konijnendijk besteden aan BMW's recente eenpitter, de in '93 verschenen 650 cc
Funduro. 'Daar zit niet eens een BMW-blok in en bovendien hangt er ook nogal
wat Japans en Italiaans spul aan. op zich al onverkwikkelijke zaken, maar het
ergste komt nog. Die fiets heeft namelijk een ketting. Zo'n vieze, smerige
ketting! Dat kan dus niet, want op een BMW hoort natuurlijk een cardan.'
Mag de eencilinder BMW/Rotax/Aprilia dus bij Konijnendijk niet op de minste
sympathie rekenen, toch is z'n BMW-loopbaan wel degelijk met een eenpitter
begonnen. Met een R27, een 'halve Boxer', uiteraard met cardan. In 1974 voor
vier snippen gekocht van een particulier. Het bleek later een zijspanmotor te
zijn, ex-Delftse politie. Geen bewuste keuze overigens. De Amsterdammer wil
graag eens met de motorfiets op vakantie en bij toeval loopt hij tegen de BMW
aan. 'Dat was dus mijn eerste eigen motorfiets waarmee ik pa in de voetsporen
trad. Die reed vroeger op een Sparta om er in Schoonebeek en omgeving de
boortorens mee te inspecteren. Pas als dienstplichtig militair reed ik zelf
mijn eerste ritjes op een motorfiets. De legerleiding
bombardeerde me onverwachts tot ordonnans en na twee maanden oefenen op een
Matchless eenpitter haalde ik mijn rijbewijs. De rest van mijn diensttijd
mocht ik me uitleven op een gloednieuwe Triumph 350 cc twin.' Is de BMW Mono
dus een toevallige keuze, het blijkt geen gelukkige te zijn. De geplande
vacantie naar de Ardennen verloopt na een paar uur in een wel heel erg traag
tempo. De BMW wil niet harder meer dan veertig kilometer per uur; zoals later
blijkt het gevolg van een hinderlijk korreltje onder de hoofdsproeier. Na een
eindeloos durende reis eenmaal in Namen aangekomen, licht bovendien ook het
rode waarschuwingslampje permanent op. 'Dat signaal heb ik maar genegeerd,
want ik slaagde er niet in de oorzaak te achterhalen. M'n kennis van
motorfietsen was namelijk nog nul komma nul. Pas na maanden zoeken kwam ik
erachter dat de regelaar en het anker niet goed functioneerden. In het bezit
van wat documentatie ontdekte ik toen ook dat er een zijspancardan op zat.
Geen wonder dat hij flink wat toeren maakte.' De stroeve start met de BMW
eenpitter is voor de projectleider bij het Gemeentelijk Grondbedrijf geen
reden om de Mono resoluut de deur te wijzen. Integendeel zelfs. Oké, de
bewuste R27 doet hij naar verloop van tijd de deur uit, maar aan opvolgers
geen gebrek. Dat leert een blik in zijn garage annex werkplaats. Daar prijkt
een tweetal gerestaureerde eencilinders. Een statige roomwitte R27 en een
fraaie groene, met helmspatborden getooide R25. Een nog beter bewijs van z'n
'monisme' zijn de eenpitters die in de maak zijn. Een verzameling van drie al
gespoten frames, drie paar wielen en een trio glimmend gepolijste blokken.
Alles bestemd voor de opbouw van een R25, R25/2 en R25/3.
Kenmerkend voor verzamelaars is dat bij hen aan bijna elk onderdeel wel
een geschiedenis kleeft. Iedere motorfiets uit hun collectie is vrijwel zonder
uitzondering in het bezit van een bijzonder verleden. Zo ook de half voltooide
R25. Konijnendijk kocht 'm tijdens een Griekse onderdelenreis voor 450 gulden
van een gitaarspeler op Kreta. De muzikant leverde 'm zelfs franco thuis. Op
doorreis van Griekenland naar Spanje draaide hij eigenhandig de onvermoeide
250 cc de garage in Mokum in. 'Die rit bewees wel dat er motorisch met de Mono
weinig mis was. Uiterlijk was het daarentegen een barrel en een samenraapsel
van verschillende modellen en bouwjaren. Zo ontbrak bijvoorbeeld de zadelveer,
het pannetje was gewoon op het achterspatbord vastgelegd. Verder zat er een
benzinetank van een R51/3 boxer op. Fout natuurlijk, maar in dit geval een
meevaller. Die tanks zijn namelijk zeldzaam en ik kon 'm daarom moeiteloos
voor 600 piek verpatsen. Je moet soms wat handelen en scharrelen om je hobby
betaalbaar te houden, nietwaar?' Naast de aanwezigheid van het kwintet BMW
eencilinders, blijkt Konijnendijks eenpitter-affiniteit ook uit zijn
betrokkenheid bij de BMW Mono Club. Als lidnummer 16 van de inmiddels ruim 600
aanhangers tellende vereniging staat hij te boek als de technische vraagbaak.
Een groot deel van het Mono Technisch Handboek, uitgegeven ter ere van het
vijftienjarige bestaan van de club, heeft de Amsterdammer met tips en
sleutelvoorschriften volgeschreven en z'n kennis van de verschillende
eenpittermodellen etaleert hij als voorzitter van de taxatiecommissie.
Boxers
Met alle respect voor de betrouwbaarheid,
technische eenvoud en sleutelvriendelijkheid van de eencilinders,
Konijnendijks voorkeur gaat toch nadrukkelijk uit naar de dwarsgeplaatste
boxers. Echter niet onbegrensd. Z'n interesse en verzameldrift richten zich op
de twins uit de periode van na de Tweede Wereldoorlog tot 1969. Een
doelbewuste keuze. Om te beginnen alleen al uit ruimtegebrek. 'Vol is
tenslotte vol. Je moet dus ergens een streep trekken. Daar komt bij dat
vooroorlogse BMW's toch wel een hoofdstuk apart zijn. Ze vereisen andere
technische kennis en de onderdelen positie is ronduit mager.' Voor de limiet
van '69 heeft hij ook z'n reden. In dat jaar introduceert BMW namelijk een
nieuwe generatie boxers. De 'streepmodellen', van de R50/5 tot de R75/5.
Voorzien van een dubbel wiegframe, swingarm achter, telescoopvoorvork en
elektrische startmotor. Met ook de nodige interne veranderingen zoals een
krachtigere oliepomp en glijlagers voor de krukas. 'Motorisch zijn ze beter,
maar ik vind ze gewoon niet mooi. Bovendien zijn ze minder geschikt voor
zijspanrijden. Je hebt dan namelijk een hulpframe nodig.' En met een 'bakkie'
aan zijn zijde trekt Konijnendijk er juist graag op uit. Deels voor vermaak,
maar vooral uit bittere noodzaak. Niet in het bezit zijnde van vierwieler of
autorijbewijs is de spierwitte R60/2 met Hollandia-bak z'n gebruiksmotor voor
alledag. 'Vooral voor de boodschappen, dan is zo'n bak superhandig. Je kunt er
moeiteloos een paar zakken kattebakvulling in kwijt. Verder is hij makkelijk
voor m'n strooptochten naar onderdelen. Ik zou echt niet meer weten hoeveel
blokken en frames ik er inmiddels mee heb vervoerd. Vele tientallen, en dat is
dan nog een heel voorzichtige schatting.'
Het wereldje
Konijnendijk bezit de R60/2, z'n enige
12-volts-motor, al sinds 1980. Sindsdien is de ex-politiemotor echter niet
alleen gebleven. Geleidelijk maar gestaag rolt de ene na de andere boxer z'n
ultraruime garage binnen en inmiddels staan er tien boxers keurig met de
koplampen in dezelfde richting wijzend, cilinder aan cilinder, uitgestald. Een
hok vol met tien twins. Hoe komt een mens in godsnaam aan zoveel motoren? 'Dat
proces verloopt vanzelf. Je koopt soms een motor alleen maar voor wat
onderdelen zoals de tank of de spatborden. Dan blijf je dus wel met een halve
zitten en die wil je weer compleet maken. Dus komt er een volgende voor de
onderdelen en die cyclus herhaalt zich eindeloos.' De Amsterdammer aarzelt
niet hier meteen aan toe te voegen dat het 'wereldje' een cruciale rol speelt.
Hiermee doelt hij op de kring van BMW-restaurateurs, -verzamelaars, handelaars
en de adresjes voor spuiten, verchromen en revisies van tellers en dynamo's
bijvoorbeeld. 'Als je in dat wereldje rolt, maak je je de techniek geleidelijk
eigen en leer je de bronnen voor onderdelen kennen. Als je die eenmaal
zorgvuldig in kaart hebt, kan het heel hard gaan met het uitbreiden van je
motoren- en onderdelenbestand.' Dat blijkt ook als hij z'n magazijnen laat zien.
Diverse ruimten puilen uit van de frames, spatborden, tanks, wielen, cilinders
en blokken, heel veel blokken zelfs.
'Ik zal niet gauw mispakken, want er staat
inderdaad nogal wat. In de loop van twintig jaar opgescharreld bij
particulieren en onderdelenmarkten als Vehikel en Barneveld. Daarnaast heb ik
ook veel bij Van Beek uit Arnhem en Klem in Herkingen weggehaald. En niet te
vergeten bij Rudy Ottenhof en Joop Richter. Die beide zaken heb ik letterlijk
een paar maal van hun onderdelenvoorraad van de Mono's en de boxers tot '69
verlost.'
Pronkstuk
Als het pronkstuk van z'n tiental beschouwt
Konijnendijk z'n subliem gerestaureerde 51/3 uit 1951 met een Steib LT200
transportbak, een originele zijspanmotor. Van de combinatie druipt het af dat
de Amsterdammer een Pietje precies is. In zijn ogen moet een restauratie niet
alleen een mooie maar ook een juiste motorfiets opleveren. Gruwelen doet
Konijnendijk van verhaspelingen van bouwjaren en modellen. 'Een goed voorbeeld
van deze R51/3 is de uitlaat. Dat hoort een vissenstaart te zijn, want pas een
jaar later, in 1952, monteerde BMW de zwaluwstaartjes.' Bij het opknappen van
de boxer heeft Konijnendijk Nino Bubic ingeschakeld. Deze restaurateur en
handelaar uit Amsterdam-Noord is gespecialiseerd in klassieke BMW's. Bubic nam
het moffelen, spuiten en biezen voor zijn rekening.
'Perfect gedaan, maar een mens is natuurlijk nooit tevreden. Ik vind dat een paar plakbiezen niet helemaal mooi met de
rondingen meelopen en dat moet dus nog geperfectioneerd worden.' Dat ook de
verzekering oog voor schoonheid heeft, blijkt uit het taxatierapport dat een
bedrag van twintigduizend gulden vermeldt. Naast deze blikvanger bezit de
Amsterdammer uit de R50 reeks ook nog een '56-er, een R50/2 uit 1964 die hij
als zijn vacantiemotor beschouwt, en een R50S. Een sportversie uit 1961 die
niet langer dan twee jaar in productie is geweest. 'Die Sport levert met z'n
35 pk wat meer vermogen en draait ook een hoger toerental. Als gevolg daarvan
is hij ook wat minder betrouwbaar.' Een maatje zwaarder zijn z'n zes
motorfietsen uit de 60-reeks. Uiteraard zit aan elke motor wel weer een
verhaal vast. Neem bijvoorbeeld de R67/2 uit '52. Een kloeke BMW met
zweefzadel, open cardan, plunjervering en halve naven. Konijnendijk bezit 'm
al zeventien jaar en heeft een aardige klus aan het opknappen gehad. 'Die
motor was namelijk van onder tot boven zilver gespoten voor de opnames van een
film. Geen gezicht natuurlijk. Zelf heb ik 'm crème gespoten. Feitelijk een
onjuistheid want hij hoort zwart te zijn.' Net zoveel werk is er ook in het
weer netjes maken van de R68 uit '53 gaan zitten. Bij aankoop vertoont de
motor een verzaagd frame, Horex-voorvork en een waslijst aan ontbrekende
onderdelen. Om z'n BMW te completeren knort Konijnendijk naar Kreta. 'Ik vond
er een koplamp en gashendel en in Athene kocht ik een Steib-zijspan. Dat heb
ik aan mijn motor gehangen en met nog een berg gekochte onderdelen
volgestouwd. Er was daar namelijk heel wat oud BMW-spul. Achtergebleven
machines uit de oorlog maar ook veel jaren vijftig en zestig BMW's. Die waren
meegebracht door Grieken die als de eerste
gastarbeiders in Duitsland gingen werken.' Wijzend op z'n andere
'60-ers, merkt de Amsterdammer op dat z'n volswing R60/2 helaas met een grote,
gele nummerplaat is gesierd. Over z'n R69 uit '58 weet hij te vertellen dat
van dit 35-pk sterke model maar zestienhonderd exemplaren zijn gemaakt. Tien
pk krachtiger is de '65-er R60/2. 'Daar hangt een 700 cc Kayser-blok in.
Behalve een hogere topsnelheid levert hij vooral meer koppel. Maar die machine
is mij eigenlijk te sterk. Ik ben te oud voor die hoge snelheden.
Waarschijnlijk zal hij dus wel een dezer dagen de deur uitgaan.' Als dit het
geval is, zal het vrijgekomen plekje niet lang onbezet blijven. Een andere
motorfiets rolt dan ongetwijfeld Konijnendijks garage binnen. Het merk?
Gelukkig zijn er nog genoeg zekerheden in het leven...
Tekst: Marcus Roggeveen
Bovenstaand verhaal komt uit het weekblad 'Motor'
nr. 15, 1998.
|