Ervaringen
met de BMW R27
Mijn
motorrijbewijs haalde ik in het leger (1968, Matchless 350cc éénpitter)
en als ordonnans bereed ik een nieuwe Triumph 350cc tweepitter. Na de
afronding van de studie besloot ik het tot dan toe onbenutte rijbewijs te
gebruiken voor een retourrit naar Zuid-Frankrijk. Doch ik bezat geen
motor. Mijn overbuurman was motormonteur en wist een BMW te koop.
Contacten werden gelegd en voor ƒ 450.- gulden werd ik eigenaar van een
zwarte R27 met handboekje (dat ik nog heb). Bijzonderheden: kenteken
UR-26-15, ex-politie motor (Delft) en een zeiltje voor over de knieën.
Toendertijd wist ik vrijwel niets van de monotechniek. Kleppenstellen was
een raadsel en ik dacht een vonk te krijgen als de punten dicht gingen.
Voor de grote rit heb ik de olie gefilterd door een doek (weinig geld) en
een schroevendraaier, nijptang en hamer ingepakt. Verder niets, behalve
kampeerspullen. Op weg naar Eindhoven (juni 1973) ging het ding niet
harder dan 45 km/uur, dat kon nog lang gaan duren. Een motorkennis in E.
hielp en ik keek toe (later is de Mono aan hem verkocht en deze bevindt
zich nu in Nuenen). Het bleek een korreltje te zijn dat zich telkens
vastzoog aan de hoofdsproeier. Voort ging het richting de zon, doch in
België ging het rode lampje branden. (Erg hard ging het nog steeds niet
en veel maanden later kwam ik er achter een zijspanfiets te hebben
verworven: dat scheelt 25% qua overbrenging in de cardan). Met de nijptang
de bedrading van de bobine losgemaakt – daar kon ik het gemakkelijkste
bij- en weer gemonteerd. Dat hielp een tijdje tot ik de zenuwen kreeg van
hetzelfde lampje: duidelijk te zien, want het werd al donker. Met het
licht aan was het toen snel afgelopen en duwend en zwetend bereikte ik het
centrum van Namen. Vermijd
alléén op vakantie te gaan, want het leed kun je beter samen dragen. Met
veel moeite met een geregelde Ford Transit weer thuis gebracht en er
gingen ook treinen naar de Riviera. Een jaar lang niet naar het ding
omgekeken en uiteindelijk de elektra gedemonteerd. De diagnose was een
kapotte regelaar en een verbrand anker. Dat kwam allemaal weer goed en ik
leerde ervan. Inmiddels verhuisd van Delft naar Amsterdam en in 1977 stond
er een R27 aan de gracht. De UH-38-69, zwart met buddyseat en solo zoveel
wist ik al toen. Intrigerend was dat de regelaar in de koplamp ter plaatse
van de teller en de teller op het stuur zat. Dat vroeg om verbetering en
ik spoorde de eigenaar op, die het vehikel verkocht voor ƒ 400.- gulden.
Op het blok, de bak, wielen en cardan na, alles gedemonteerd en met de
kwast de stalen delen mat donkerrood geverfd. Buddy bruin bekleedt en het
achterspatbord (afgezaagd was die) voorzien van een grote spatlap. Toch
een fraaie motor, die op vakantie met duopassagier nooit moeilijkheden gaf
op het rode lampje na natuurlijk, maar dat bleek een vuile collector te
wezen. Ook wel geluk gehad zonder het blok te demonteren. Verkocht aan een
collega, die er weg van was en zij verkocht hem/haar weer, echter vergat
de papieren te geven. Geen idee waar deze R27 is gebleven. Een rare koper
overigens. Geleidelijk ging ik aan de tweecilinders, maar m’n hart lag
toch bij de eerste R27. Helaas verkocht, hetgeen ook kwam door
ruimtegebrek op en bij de woonboot. Een andere collega – het bleek onder
de borrel – had er twee in deplorabele staat en beide R27’s kocht ik
samen voor ƒ 1200.- : hij had er geen trek meer in (gezin en toch maar
een auto). Ik zit nu in 1983 en de UR-26-10 heb ik nog steeds.
Gerestaureerd, hoewel met plastic biezen, maar wel met het steeds
populairder wordende zweefzadel en zwarte achterrekje. De beste hield ik
en de tweede – vrijwel compleet – verkocht. Het blok voor de zekerheid
laten doen (het achterste hoofdlager had de kogels op een kluitje) en de
zuiger werd gered door een R50S exemplaar. Dat werkte goed met een iets kleinere
hoofdsproeier. Inmiddels zit de originele standaard 68.00 mm zuiger erin.
Behalve een blokje om, heb ik er nooit mee gereden. Tot zover mijn R27 –
ervaringen. Vergelijkingen met ander Mono – types kan ik nauwelijks
maken: slechts een kort ritje met een R26 en R25/2 heb ik gemaakt. In
theorie en de praktijk zou de R27 de beste Mono moeten zijn. Dit vanwege
het hoogste vermogen, het rijcomfort en de ‘zweefmotor’ tegen
hinderlijke trillingen. Het belangrijkste acht ik de sterk verbeterde
elektra: achter het dynamodeksel bevindt zich nog slechts de dynamo.
Bobine en regelaar bevinden zich in de buitenlucht en in vier takten is er
nog slechts één vonk: de contactpunten zitten op de nokkenas. Wees extra
zuinig op deze klassieke motor.
Ron
Konijnendijk
|