Trilling en balancering van 1-cilinders
Alhoewel
het een zeer specifieke eigenschap is van onze 1- cilinders, heb ik in het
(voor mij zeer waardevolle) MONO technische Handboek weinig teruggevonden
over de oorzaak van trillingen en in hoeverre deze kunnen worden
uitgebalanceerd. Deze materie is niet eenvoudig maar wel belangrijk voor
ons rijplezier.
Ik heb er nog eens een aantal van mijn oude studieboeken
uit de vijftiger jaren, die ik al die tijd heb bewaard, op nagelezen en
schreef een nogal technisch stukje over de trillingen en balancering van
1-cylinders. Op advies van de redactie heb ik daarvan de volgende
vereenvoudigde versie gemaakt.
Voor de techneuten onder ons, zijn ter bevrediging van hun
aangeboren nieuwsgierigheid, de formules en rekenvoorbeelden in voetnoten
geplaatst. Het is dus een stukje geworden met voetnoten, maar hopelijk
niet van voetangels en klemmen.
Trillingen
ontstaan voor het grootste deel door:
-
Heen
en weer gaande onderdelen, zoals de zuiger, veren, zuigerpen en een
deel (men neemt 2/5) van de drijfstang. (zie
voetnoot 1).
-
Draaiende
onderdelen, zoals de krukwangen, de krukpen en een groot deel (3/5)
van de drijfstang.
-
Wisselingen
in het draaimoment, die groot zijn als er slechts 1 arbeidsslag is in
2 omwentelingen.
Verder
kunnen door buiging van de krukas en torsie in assen ook trillingen
ontstaan, deze zijn bij de compacte constructie van onze mono’s klein en
spelen nauwelijks een rol.
1.
Trillingen van heen en weer gaande massa’s.
De
kracht die nodig is om de zuigermassa te versnellen is gelijk aan de massa
x de versnelling.
De
versnelling krijgt men door de zuigerweg 2 x naar de tijd te differentiëren.
Ik zal u dat besparen. De uitkomst is dat er twee krachten zijn. (zie
voetnoot 2).
Zie tekening
|
|
Namelijk
een z.g. primaire kracht P1 die een functie is van het gewicht van de heen
en weer gaande delen, van de kruklengte (halve zuigerslag), en het
toerental in het kwadraat.
Het kan worden aangetoond (zie voetnoot 3) dat de helft
van deze primaire kracht kan worden uitgebalanceerd door
tegengewichten aan te brengen van de juiste massa. De andere helft
kan tot verdriet van velen bij 1-cylinders niet worden uitgebalanceerd.
Verder is er een secondaire kracht P2 die slechts 28% van de grootte van
de primaire kracht is maar een 2x hogere frequentie heeft dan de krukas en
ook al niet kan worden gebalanceerd. Jammer.
|
Deze
twee niet te balanceren krachten zijn vertikaal gericht en zijn ca. 3x
groter in het BDP dan in het ODP. Men kan berekenen (zie
voetnoot 4) dat in het BDP de som van de beide krachten ca.15 kg is
bij 1000 tpm. Met 4500 tpm, bij 40 km/uur in de 2de versnelling of 80
km/uur in de 4de, is dat al ca. 300 kg. Bij 100 km/uur loopt het verder op
tot 450 kg. Deze krachten laten de motor stampen. Bij hogere toerentallen
lopen de krachten dus snel op. Het vermogen speelt geen rol. Om de
trillingen te minimaliseren is het van belang dat het gewicht van de
zuiger en drijfstang zijn afgestemd met de massa van de tegengewichten op
de krukas. Vervangende zuigers kunnen zwaarder zijn dan de originele, ook
zijn er aluminium en stalen drijfstangen gebruikt en de daarbij behorende
verschillende tegengewichten op de krukas tijdens de productie van de R26.
Hoewel de krachten qua grootte en richting voldoende zijn om ons Rad op te
tillen zijn ze hiervoor te kort van duur. De trillingen die hierdoor
ontstaan worden bij de R27, dank zij de ophanging in rubber, niet echt
merkbaar doorgegeven aan het frame, bij de voorgangers van de R27 worden
deze trillingen wel voor een groot deel doorgegeven, en goed merkbaar bij
hogere toerentallen.
2.
Trillingen van de draaiende massa’s.
Hier
zijn 2 soorten balancering denkbaar: dynamische en statische. De
dynamische balancering is natuurlijk belangrijker dan de statische
balancering, waarbij de krukas in iedere willekeurige stand stil blijft
staan. De relatie is eenvoudig: Massa is het gewicht gedeeld door de
zwaartekracht van de aarde (meestal g genoemd en is ca. 9.8 m / sec in het
kwadraat), de eenheid heet Newton en is dus ongeveer 0.1 kg. De roterende
massa ondervindt een centrifugaal kracht K (zie
voetnoot 5)
die een functie is van het gewicht van de draaiende massa’s, de
kruklengte (halve zuigerslag) en van het kwadraat van toerental. Bij
1-cylinders kan deze kracht volledig worden uitgebalanceerd met een massa
tegenover iedere krukwang die ieder de helft van de centrifugaalkracht K
heeft. Deze massa’s zijn te combineren met (toe te voegen aan) de massa
die nodig was om de helft van de primaire kracht van de heen en weer
gaande massa’s te balanceren. Daarmee is dan een statische balancering
niet mogelijk, maar dat is niet zo belangrijk.
3.
Trillingen door het draaimoment.
Deze
trillingen in onze mono’s zijn het meest complex. Tijdens de
expansieslag wordt de gasdruk op de zuiger door de drijfstang naar de kruk
overgebracht. De zuiger gaat daarbij recht naar beneden terwijl de
drijfstang een steeds verdere uitslag gaat maken om de kruk te volgen.
Hierdoor ontstaat een zijwaartse druk van de zuiger op de cilinderwand.
Zie tekening
|
|
De
verbranding verloopt ongeveer symmetrisch rond het BDP. Als de
gasdruk p het hoogst is, is de drijfstangkracht het grootst (zie voetnoot
6),
ca 1250 kg bij vol vermogen van de R27 minus de kracht van de
zuigerversnelling zoals hierboven besproken. De hoek a is dan 0 of
nog klein en dus is de zijwaartse kracht N ook 0 of klein. Tijdens
de expansieslag neemt de gasdruk en drijfstangkracht af maar neemt
de hoek a toe, en dus ook de zijwaartse kracht N. Ik schat dat de
zijwaartse kracht het grootst is bij een hoek a van ca. 30 of 40
graden waarbij de gasdruk tijdens de expansieslag ongeveer tot de
helft is teruggelopen. De kracht N op de zijwand is dan ca. 100 kg.
Tijdens de compressieslag is N licht negatief.
|
Het
koppel verandert dus tijdens de twee omwentelingen van een 4-tact cyclus
continu van waarde. De ongelijkmatige gang is het grootst bij onze
1-cylinders. Het wisselende moment levert een gecompliceerde trilling op
die voor een groot deel een functie is van het toerental en van het
vermogen. Vooral tijdens de lage frequenties bij een stationair of
langzaam lopende R27 motor is door de flexibele ophanging in rubber
blokken, en dankzij onze cardanas de zijwaarts gerichte rotatie van de
krukas, de wisselende gang van het koppel goed waarneembaar aan het
zijwaarts schudden van het blok zelf maar b.v. ook van de koplamp. Bij
zijn voorgangers is de beweging door de verbinding met het frame meer
gedempt, maar ook meer voelbaar via het frame. Een slecht afgestelde
ontsteking of carburator maakt het er niet beter op.
Een vliegwiel zal wel het arbeidsoverschot van de expansieslag
opslaan en afgeven tijdens de rest van de cyclus maar is geen balancering
voor het kantelkoppel.
Conclusies:
-
Als
het motorblok los stond zou bij hogere toerentallen het blokje
waarschijnlijk op en neer staan te dansen en nog omvallen ook door de
trillingen en het koppel die inherent zijn aan de constructie van een
1-cylinder 4-tact motor.
-
Ik
ben blij met de “Schwebemotor” in mijn R27. Het zou interessant
zijn te weten waarom de BMW ontwerpers de silent-blocks niet eerder
hebben toegepast.
Voetnoot
1.
Het gewicht
van de zuiger, veren, zuigerpen en een deel (men neemt 2/5) van de
drijfstang is (0,25 + 0,02 + 0,055 + 2/5 x 0,5 =) ca. 0,5 kg.
Voetnoot
2.
De uitkomst
is w2 R (cos a + ß cos 2a). Hierbij is:
- w de
hoeksnelheid van de krukas in radialen per sec. Een rad = ca. 57
graden/sec = ca. 9,5 tpm. Dat
het toerental een grote rol speelt zal niemand verbazen.
- R de
kruklengte of de halve zuigerslag in meters, bij de R27 is dat 0,034 m.
- a de hoek
in graden die de kruk doorloopt na het passeren van de het BDP. U weet
nog: cos 0 = 1 en cos 90 = 0.
- ß is de
verhouding van de lengte van de kruk en van de drijfstang, bij de R27 34 /
120 = 0,28.
- massa is
het gewicht in kg gedeeld door 9,8 m/sec², de versnelling van de
zwaartekracht.
Er zijn dus
2 krachten met 2 frequenties:
De primaire
kracht P1 = m w2 R cos a met een frequentie gelijk aan het
toerental, en de kleinere secondaire kracht P2 =
0,28 m w2 R cos 2a met een 2x hogere frequentie.
Deze
krachten kunnen worden gedacht als de verticale projectie van een
draaiende vector wijzend in de richting van de kruk. De grootte van de
primaire kracht vector is m w2 R en van de secondaire 0,28 m w2
R maar draaiend met de dubbele hoeksnelheid. Op het BDP versterken ze
elkaar en op het ODP verzwakt de secondaire kracht de primaire kracht
enigszins. Deze kracht probeert de motor op en neer te tillen. Zie
tekening 1.
Voetnoot
3.
Om te zien
in hoeverre er iets hiervan te balanceren is aan de mono kunnen we de
primaire verticale kracht ook voorstellen als de som van 2 krachten
waarvan er 1 met de kruk meedraait en de andere er tegen in, zie tekening
2. Nu zijn het 2 draaiende krachten geworden, van ieder 0,5 m w2
R. De kracht die met de kruk meedraait kan worden uitgebalanceerd door een
massa tegenover iedere krukwang aan te brengen met samen eenzelfde
centrifugaalkracht van 0,5 m w2 R.
De andere
helft van de primaire kracht P1 die tegen de kruk indraait en de 2x zo
snel draaiende secondaire kracht P2 zijn bij 1-cylinders niet te
balanceren.
Voetnoot
4.
De niet te
balanceren krachten zijn de helft van de P1 en het geheel van P2. Met
behulp van de formules van voetnoot 2
zijn deze te berekenen als volgt: (0,5 + 0,28) x 0,5/9,8
x (toerental/9,5)2
x 0,034 =
ca.15 kg bij 1000 tpm.
Voetnoot
5.
De roterende
massa ondervindt een centrifugaal kracht K = m w2 R.
Voetnoot
6.
De
drijfstangkracht op het BDP is Pi/4 D2 p, dus: 3,14/4 x 6.82
(diameter van de zuiger in cm) x de verbrandingsdruk van ca. 35 –1
(buitendruk) kg/cm2 = ca. 1250 kg, minus de kracht van de
zuigerversnelling.
Theo
van der Ros december 1999, Son.
|