|
|
|
ZIJSPANTECHNIEK
EN -THEORIE Wat
is vlucht en wat bereiken we ermee? Verder
nog nergens vanaf wetend, zou je geneigd zijn om het zijspan zodanig aan de
motorfiets te monteren, dat het frame van het zijspan netjes overal horizontaal
staat en de motorfiets zuiver te lood, dat staat tenminste netjes. Voor wat
betreft het zijspan is dat zonder meer juist, maar met die motorfiets ligt het
anders. Zouden we inderdaad met die "netjes" aan elkaar gebouwde
combinatie gaan rijden, dan zal al ras blijken dat we, ondanks het corrigerende
toespoor van het zijspanwiel, bij wat hogere snelheden toch constant wat naar
links 'bij moeten sturen. Over niet al te lange afstanden is dat zonder meer te
doen, maar rijden we rukken van een paar honderd kilometer per dag, dan voel je
na afloop ineens, dat je nog schouders en een rug hebt, maar je wordt er niet
bepaald vrolijk aan herinnerd. Kennelijk is toespoor alleen niet voldoende om de
rechts-af-neigingen geheel tegen te gaan. Wat nu gedaan? Accepteren, dat we na
lange ritten moe worden? Om de drommel niet! Er bestaat namelijk nog een list,
en dat is dan de vlucht. Daaronder wordt bij een zijspancombinatie verstaan: het
enigszins naar buiten, van de zijspanwagen af, hellen van de motorfiets; bij
rechts zijspan dus naar links. Wat gebeurt er nu tengevolge van die vlucht?
Daarvoor dienen we ons even een solofiets voor de geest te halen. Als we solo
rijden en we sturen een bocht in, dan gebeurt dat in hoofdzaak door de fiets
naar de kant van de te nemen bocht over te laten hellen.
Dat doen we door met ons lichaamsgewicht te werken en tegelijkertijd de fiets te laten hellen. Dat kan ook zonder je gewicht te verplaatsen en alleen maar de fiets neer te drukken, in de trialrijderij wordt dat veelvuldig gedaan. Het voordeel hiervan is, dat het uit de bocht terug komen vlugger kan gebeuren, omdat alleen maar het gewicht van de motorfiets verplaatst behoeft te worden. Het nadeel is, dat de fiets voor een bepaalde bocht schuiner gelegd moet worden dan wanneer de rijder mee zou overhellen. Maar dat is eigenlijk alleen maar terzijde, waar het om gaat is, dat een bijv. naar links overhellende solofiets automatisch een linker bocht zal gaan maken. Bovendien: hoe meer overhellend, hoe scherper de bocht en omgekeerd.
Wel
als volgt: als we de motorfiets nu eens niet netjes te lood monteren, maar hem
een ietsepietsie naar links laten overhellen, dan zal hij, rijdend, de neiging
hebben linksaf te willen gaan. Als die neiging nou eens net zo groot was als het
nog een beetje rechtsaf willen van de combinatie, dan zal als resultaat het spul
precies rechtuit rijden. Dan is dat voor elkaar, zo te zien. Was dat maar waar!
In het voorafgaande hoofdstuk "Toespoor" hebben we al gezien, dat het
rechtuit gaan dank zij dat toespoor slechts opgaat bij één bepaalde snelheid,
maar dat die snelheid steeds weer een andere is naarmate de belasting van de
combinatie varieert. Bovendien is het in de praktijk zo, dat die snelheid, voor
zover afhankelijk van alleen maar toespoor, niet zo gek hoog ligt, zodat we de
voorgaand besproken list van de vlucht te hulp moeten roepen. Dat neemt evenwel
niet weg, dat we daarmede weliswaar die recht-uit-kwaliteiten op een hoger
snelheidsplan brengen, maar niet een onder alle omstandigheden niet-
meer-opzij-trekkende combinatie creëren. Het blijft een moeilijk ding, zo'n
zijspancombinatie! Maar met die vlucht kunnen we echter lekker scharrelen. Het
is in de praktijk zo, dat het instellen van voorloop en toespoor een vrij
ingrijpende bezigheid is, die je maar niet zo eventjes tussendoor kunt wijzigen
ter aanpassing aan de verschillende rij omstandigheden. De vluchtverstelling
evenwel is wat makkelijker tussendoor te regelen. Daar is van huis uit door de
diverse zijspanwagen fabrikanten ook wel degelijk rekening mee gehouden;
het is jammer, dat maar weinig lieden daar ook daadwerkelijk gebruik van
maken, waarschijnlijk tengevolge van onbekendheid ermee. Bij
een vierpunts aansluiting bestaan normaliter de onderste twee punten uit kogel
aansluitingen. Maar ook al zou dat anders opgelost zijn, deze twee punten zijn
in feite de "dragers" van de zijspanwagen, aan die kant van het
zijspan, waar geen wiel zit. Het andere draagpunt is het wiel. Bovendien zorgen
die twee punten voor het "duwen" van het zijspan, voor de voorwaartse
beweging. Constructief lijken dat dus de meest belaste aansluitingen. Zouden we
uitsluitend en alleen rechtuit willen rijden, met nimmer ook maar ene bocht voor
de boeg, dan zou het inderdaad mogelijk zijn om met uitsluitend die twee
aansluitingen te rijden. Dat is natuurlijk puur theoretisch. Met de eerste bocht
zouden er de meest rare dingen gebeuren en wel omdat de middelpuntvliedende
kracht de fiets met rijder naar buiten wil duwen; naar links tijdens een
rechter- en naar rechts tijdens een linkerbocht. Het is voorstelbaar, dat die
tweepunts ophanging als hiervoor bedoeld zo sterk uitgevoerd wordt, dat de
wringing, die de middelpuntvliedende kracht daar op uitoefent, weerstaan wordt
en de motorfiets niet omdondert. In
het verleden zijn er zijspanwagens op de markt geweest voor scooters, die het
zelfs met één aansluitpunt afdeden. Maar dat was dan wel een zeer flinke
jongen van een buis, die onder het zijspan en het scooterframe doorliep en tegen
het scooterframe gemonteerd werd met behulp van een groot aantal hulpstrippen en
pijpen. Bepaald fijn viel er niet mee te rijden. En dat was dan nog maar een
scooter. Met een motorfiets als krachtbron valt daar niet over te denken. We
moeten dus die fiets tegen het zijspanframe "afschoren" om die
duwkrachten op te vangen. Dat wordt bereikt met schoorstangen:
van het zijspanframe schuin omhoog lopende pijpen met aan de uiteinden
inwendig schroefdraad, waarin een schroefdraadeind past. De pijp zit doorgaans
aan het zijspanframe vast, het schroefdraadeind aan de motorfiets. Dat
schroefdraad eind is in- en uitschroefbaar, waarmee de lengte van de schoorstang
variabel is. De schoorstangen, bij een vierpuntsbevestiging dus twee stuks,
nemen die middelpuntvliedende krachten op en houden de motorfiets in de bochten
overeind t.o.v. het zijspan. Als
we ons uit hoofdstuk 2 nog eens het begrip zwaartepunt voor de geest halen en we
stellen ons weer even voor, waar dat ongeveer zit in de combinatie van alleen
rijder/machine, dan herinneren we ons,dat dat ongeveer ergens onder het zitvlak
van de rijder ligt. Uit dat hoofdstuk is ook duidelijk geworden, dat je
"krachten" rekenkundig kunt laten "aangrijpen" in dat
zwaartepunt. Als we de optelsom van alle middelpuntvliedende krachten op de
combinatie man/machine nu eens op één punt willen vangen, dan moeten we dat
doen in dat zwaartepunt, wil het motorframe althans niet aan hele vreemde
verbuigende krachten blootgesteld worden. Door van onder het zitvlak van de
rijder een schoorstang aan te brengen naar het zijspanframe, vangen we de
grootste krachten op. Het is zelfs zo, wanneer die krachten niet al te groot
worden, dus bijv. bij een lichte motorfiets, we met deze ene centrale
schoorstang kunnen volstaan. In het verleden kwam dat dan ook inderdaad
veelvuldig voor: driepuntsophanging bij fietsen tot pak weg 350 cc. Met de
fietsen van vandaag de dag kunnen we dat niet meer maken, ze zijn op zichzelf te
zwaar en leveren zo veel vermogen, dat je knap krap bochten kunt nemen. Alle
twee factoren, die de middelpuntvliedende kracht bepalen. Met slechts één
schoorstang als hiervoor omschreven houden we de motorfiets wel overeind, maar
bij het nemen van bochten gebeurt er nog veel meer. In de voorafgaande
hoofdstukken over voorloop en toespoor hebben we gezien, dat het zijspanwiel
vrijwel nooit echt meestuurt, maar zowat altijd op de één of andere manier
tegenwerkt. Die tegenwerking moeten we overwinnen, en dat gebeurt door het stuur
fiks in de knuistjes te houden. M.a.w.:
die tegenwerkende krachten vanuit het zijspanwiel worden overwonnen door het
stuur van de motorfiets. En dat draait in het balhoofd. Wat
er, buiten de middelpuntvliedende kracht, allemaal nog aan wringende krachten
bijkomt, zal zich hoofdzakelijk samenballen in dat balhoofd. Dat behoeft dus
duidelijk nog een ondersteuning extra, en dat is dan het vierde punt: zo kort
mogelijk onder het balhoofd een schoorstang naar het zijspanframe. Maar ook
t.b.v. dat zijspanframe is die schoorstang nog niet zo gek, die vormt namelijk
met de voorste kogelaansluiting een driehoeksconstructie. Als we al eens om wat
voor reden dan ook die voorste schoorstang zouden weg laten en met de
driepuntsbevestiging zouden rijden, dan merk je alras, dat, behalve het
duidelijk voelbare gemis van het steunpunt van het balhoofd, ook die voorste
onderste kogelaansluiting het behoorlijk zwaar te verduren heeft. Goed oplettend
zie je beslist de klauw om de kogel bewegen. Dat vierde steunpunt is dus een
allesbehalve overdreven veiligheidsmaatregel, maar doodgewoon bitter nodig. |
Send mail to
webmaster@bmw-mono-club.nl with
questions or comments about this web site.
|